8.Het hemelruim, d' azuren boog
Eere- en LofzangenPresentatie
1
Het hemelruim, d' azuren boog,
bewolkt of wolk'loos voor ons oog,
of fonk'lend 's nachts door sterrenpracht,
verkondt en prijst Gods scheppersmacht.
Hem prijst de dag, als zonneglans,
doortint'lend oost- en wester- trans,
het woord tot onze zielen richt:
Uw God woont in het eeuwig licht.
bewolkt of wolk'loos voor ons oog,
of fonk'lend 's nachts door sterrenpracht,
verkondt en prijst Gods scheppersmacht.
Hem prijst de dag, als zonneglans,
doortint'lend oost- en wester- trans,
het woord tot onze zielen richt:
Uw God woont in het eeuwig licht.
2
Maar ook de nacht, de zilv'ren maan,
bij 't voortgaan langs haar sterrenbaan,
de glans van licht, die haar omzweeft,
als zij van 't oost naar 't westen streeft,
getuigen in verscheidenheid
van 't machtwoord van Gods majesteit,
die, toen Hij aard en hemel schiep.
Die zee van licht in 't aanschijn riep.
bij 't voortgaan langs haar sterrenbaan,
de glans van licht, die haar omzweeft,
als zij van 't oost naar 't westen streeft,
getuigen in verscheidenheid
van 't machtwoord van Gods majesteit,
die, toen Hij aard en hemel schiep.
Die zee van licht in 't aanschijn riep.
3
Doch wat is 't licht van zon en maan
bij 't licht in Christus opgegaan;
die, Zonne der gerechtigheid,
in 't mensenhart een lichtglans spreidt,
welk' uit de nacht van zonde en dood
een onvergank'lijk morgenrood
doet dagen, en in eeuwig licht
naar 't vaderhuis ons voetspoor richt.
bij 't licht in Christus opgegaan;
die, Zonne der gerechtigheid,
in 't mensenhart een lichtglans spreidt,
welk' uit de nacht van zonde en dood
een onvergank'lijk morgenrood
doet dagen, en in eeuwig licht
naar 't vaderhuis ons voetspoor richt.