508.Heer, Zoon van God, terwille van
KoorliederenPresentatie
1
Heer, Zoon van God, ter wille van Uw Woord
lig ik geboeid in onderaardse oord;
Uw haat'ren zijn 't, die blind van woede,
om strijd mij martelden ten bloede;
maar 'k vond dat kruis, getorst Uw naam ter eer,
geen lijden, neen, genade, trouwe Heer!
lig ik geboeid in onderaardse oord;
Uw haat'ren zijn 't, die blind van woede,
om strijd mij martelden ten bloede;
maar 'k vond dat kruis, getorst Uw naam ter eer,
geen lijden, neen, genade, trouwe Heer!
2
Wat was 't, dat hen zo woest vergrimmen deed,
wat maakte hen tot onrecht zo gereed?
Uw liefde, die mij dringt tot spreken,
is 't, die zij aan Uw dienstknecht wreken.
Maar 'k vond dat kruis, getorst Uw naam ter eer,
geen lijden, neen, genade, trouwe Heer!
wat maakte hen tot onrecht zo gereed?
Uw liefde, die mij dringt tot spreken,
is 't, die zij aan Uw dienstknecht wreken.
Maar 'k vond dat kruis, getorst Uw naam ter eer,
geen lijden, neen, genade, trouwe Heer!
3
Mijn mond beleed, tot Gij, de zondaar goed,
mij hebt verlost door 't plengen van Uw bloed;
't is Uw ontfermend zalig maken,
dat tegen mij hun wrok doet blaken;
maar 'k vond dat kruis, getorst Uw naam ter eer,
geen lijden, neen, genade, trouwe Heer!
mij hebt verlost door 't plengen van Uw bloed;
't is Uw ontfermend zalig maken,
dat tegen mij hun wrok doet blaken;
maar 'k vond dat kruis, getorst Uw naam ter eer,
geen lijden, neen, genade, trouwe Heer!
4
Zo draag voor U, mijn Redder en mijn Vorst,
gefolterd staag door honger en door dorst,
in 't donkerst kerkerhol begraven,
ik smaadheid om Uw trouw te staven.
En 'k noem dat kruis, getorst Uw naam ter eer,
geen lijden, maar genade, trouwe Heer!
gefolterd staag door honger en door dorst,
in 't donkerst kerkerhol begraven,
ik smaadheid om Uw trouw te staven.
En 'k noem dat kruis, getorst Uw naam ter eer,
geen lijden, maar genade, trouwe Heer!