49.O hoofd, bedekt met wonden
Jezus' Leven op AardePresentatie
1
O hoofd, bedekt met wonden,
belaân met smaad en hoon!
O hoofd, ten spot ombonden
met ene doornenkroon!
Eertijds gekroond met stralen
van meer dan aardse gloed,
waarlangs nu drupp'len dalen!
'k Breng zeeg'nend U mijn groet!
belaân met smaad en hoon!
O hoofd, ten spot ombonden
met ene doornenkroon!
Eertijds gekroond met stralen
van meer dan aardse gloed,
waarlangs nu drupp'len dalen!
'k Breng zeeg'nend U mijn groet!
2
De levensblos der wangen,
der lippen lieflijk rood,
zijn thans door 't blauw vervangen,
de loodkleur van de dood;
't is alles U ontnomen
wat sieraad gaf voorheen;
Uw doodsuur is gekomen,
Uw laatste kracht verdween.
der lippen lieflijk rood,
zijn thans door 't blauw vervangen,
de loodkleur van de dood;
't is alles U ontnomen
wat sieraad gaf voorheen;
Uw doodsuur is gekomen,
Uw laatste kracht verdween.
3
Van al de last dier plagen,
met Goddelijk geduld,
o Heer! Door U gedragen,
heb ik, heb ik de schuld!
Och zie, hoe 'k voor Uw ogen
hier als een zondaar sta,
en schenk vol mededogen,
m' een blik van Uw genâ.
met Goddelijk geduld,
o Heer! Door U gedragen,
heb ik, heb ik de schuld!
Och zie, hoe 'k voor Uw ogen
hier als een zondaar sta,
en schenk vol mededogen,
m' een blik van Uw genâ.
4
U zij de dank mijns harten,
U, Jezus, dierbre Vriend,
voor 't doorstaan van die smarten,
alleen door mij verdiend!
Och, blijv', — wat troost ik derve —
de hoop op U mij bij,
opdat, wanneer ik sterve,
in U mijn einde zij!
U, Jezus, dierbre Vriend,
voor 't doorstaan van die smarten,
alleen door mij verdiend!
Och, blijv', — wat troost ik derve —
de hoop op U mij bij,
opdat, wanneer ik sterve,
in U mijn einde zij!