Spring naar inhoud

422.Komt maaiers, 't is nu oogsttijd

1
Komt maaiers, 't is nu oogsttijd,
ziet aarz'lend niet in 't rond,
de tijdstroom kent geen rusten
en haast naar de avondstond;
al zijn de maaiers weinig,
dit is des Heren zaak;
Hij riep u als Zijn knechten
elk tot een eigen taak.
2
Wacht niet tot and'ren komen,
maar sla de sikkel aan,
en bindt tot volle schoven
het rijpend goudgeel graan.
De Meester riep en stelde u
tot werkdoen, waar gij zijt;
een arbeid afgewogen
naar d' u beschikte tijd.
3
Rept, maaiers, dan de handen;
hoe klein gij zijt in tal,
gelooft, dat God u sterken
en nooit begeven zal.
Hij is de Heer des oogstes,
het geldt Zijn eer en schat,
bedenkt dan met wat liefde
u God heeft liefgehad.
4
Zijn liefd' in Christus dring' u
tot werken zonder rust,
ziend' op de sabbatsvreugde,
die wacht aan gindse kust.
't Is hier een tijd van zwoegen,
van ijv'ren vroeg en laat;
heil, die eens met zijn Koning
gekroond ten oogstfeest gaat.