354.Hoe lief'lijk is Uw huis mij, Heer
Openingsliederen en SlotzangenPresentatie
1
Hoe lieflijk is Uw huis mij, Heer,
Uw voorhof, wat ik meest begeer,
verlangend naar Uw heilgenot
roept mijne ziel tot U, mijn God.
Uw voorhof, wat ik meest begeer,
verlangend naar Uw heilgenot
roept mijne ziel tot U, mijn God.
2
De mus, de zwaluw zoekt Uw huis,
niet angstig zelfs voor 't feestgedruis
en bouwt zijn nest bij Uw altaar,
door U beveiligd voor gevaar.
niet angstig zelfs voor 't feestgedruis
en bouwt zijn nest bij Uw altaar,
door U beveiligd voor gevaar.
3
Welzalig, wie dat voorrecht deelt,
wie 't lieflijk licht Uws aanschijns streelt,
waar, volgers van huns Konings vaân,
zij in Uw rechte wegen gaan.
wie 't lieflijk licht Uws aanschijns streelt,
waar, volgers van huns Konings vaân,
zij in Uw rechte wegen gaan.
4
Eén dag is in Uw huis mij meer
dan duizend, waar ik U ontbeer;
de minste er liever, dan gewend
aan d' overvloed van 's bozen tent.
dan duizend, waar ik U ontbeer;
de minste er liever, dan gewend
aan d' overvloed van 's bozen tent.
5
Gij toch zijt onze hoede en heil,
een bron van zegen zonder peil,
Heer, die het goede nooit onthoudt
aan 't hart, dat op Uw liefde bouwt.
een bron van zegen zonder peil,
Heer, die het goede nooit onthoudt
aan 't hart, dat op Uw liefde bouwt.