330.Tehuis, o welk een dierbaar woord
Der Heiligen BeloningPresentatie
1
Tehuis, o welk een dierbaar woord!
Tehuis, o welk een lieflijk oord!
Niets kan mij toch zo zeer verblij'n,
dan eeuwig bij de Heer te zijn!
Tehuis, o welk een lieflijk oord!
Niets kan mij toch zo zeer verblij'n,
dan eeuwig bij de Heer te zijn!
2
Al houdt mij hier in 't vreemde land
omvangen menig liefdeband,
toch roept mijn hart, hier 't leven moe:
naar huis! naar huis! naar Jezus toe!
omvangen menig liefdeband,
toch roept mijn hart, hier 't leven moe:
naar huis! naar huis! naar Jezus toe!
3
En valt de weg naar huis soms lang?
Klopt mij het harte moe en bang!
O zeg, mij klinkt 't dan keer op keer:
ben 'k ver van huis nog van mijn Heer?
Klopt mij het harte moe en bang!
O zeg, mij klinkt 't dan keer op keer:
ben 'k ver van huis nog van mijn Heer?
4
Tehuis, daar wenst mijn hart te zijn,
tehuis, bevrijd van zorg en pijn.
Bevrijd van ziekte, zond' en schuld,
waar ook geen spot meer wordt geduld.
tehuis, bevrijd van zorg en pijn.
Bevrijd van ziekte, zond' en schuld,
waar ook geen spot meer wordt geduld.
5
Naar huis! roept 't heimweezieke hart,
daar lenigt Jezus alle smart!
Naar huis! doch stil, mijn hart, zwijg stil,
naar huis! alleen als God het wil!
daar lenigt Jezus alle smart!
Naar huis! doch stil, mijn hart, zwijg stil,
naar huis! alleen als God het wil!