Spring naar inhoud

31.Hoe schoon blinkt ons de

Eere- en LofzangenslideshowPresentatie
1
Hoe schoon blinkt ons de Morgenster,
en spreidt haar stralen heind' en ver
in luisterrijke klaarheid!
't Is Davids Zoon, uit Jacobs stam,
mijn Koning, die op aarde kwam
vol van genade en waarheid!
Lieflijk, vriend'lijk
heerlijk, machtig,
sterk en prachtig,
rijk aan gaven,
waarmee Hij de ziel wil laven!
2
O Gij, mijn parel en mijn kroon,
Gij, 's Vaders en Maria's zoon,
als Koning mij gegeven,
Gij, wie mijn leven toebehoort,
uw lieflijk evangeliewoord
is mij de spijs ten leven.
Jezus, Here!
Hosianna!
Hemels manna,
dat wij eten!
Nooit zal U mijn hart vergeten.
3
O, wil in 't diepste van mijn ziel,
mijn Heer, voor wie ik nederkniel,
Uw liefdevlam ontsteken!
Geef, dat ik trouw slechts aan U hang',
uit U mijn levenskracht erlang',
en niets die bond moog breken!
Wachtend, smachtend,
tracht mijn harte,
krank van smarte
vol verlangen,
U in liefde te ontvangen.
4
Daar straalt mij toe een vreugdelicht,
wanneer Gij met Uw aangezicht
mij vriend'lijk toe wilt blikken,
Gij, Jezus, Gij mijn hoogste goed,
wiens woord, wiens Geest, wiens vlees en bloed
mij hart en ziel verkwikken.
Och Heer! Kom weer
mij omarmen,
't hart verwarmen;
op Uw noden
kom ik blij tot U gevloden.
5
In eeuwigheid, voor 't wereldrond,
o Vader! Op Uw wenk ontstond,
woudt Gij m' Uw liefde geven,
in Hem, die mij verkoren heeft,
en aan wie zich mijn harte geeft,
de vreugde van mijn leven,
Heil mij! Heil mij!
Hemels leven
zal Hij geven
mij daarboven,
Eeuwig moet mijn hart Hem loven.
6
Dat nu de hooggestemde snaar
zich aan de klank van 't orgel paar',
in jubelend verblijden,
dat Jezus, dat mijn zielevriend,
zo hoog vereerd, zo teer bemind,
door 't leven mij wil leiden.
Ruise, bruise
't vrolijk juichen,
't luid getuigen
Hem de Here,
Hem, mijn Bruidegom, ter ere!