307.In wat tijd, hoe groot en heerlijk
De Laatste UrePresentatie
1
In wat tijd, hoe groot en heerlijk
zagen wij het levenslicht,
is dit niet het eind der eeuwen,
voorboô van het godsgericht?
Zie de natiën ontwaken,
Israël vraagt naar zijn Heer
't schepsel zucht! Spreekt niet reeds alles,
Jezus van Uw wederkeer?
zagen wij het levenslicht,
is dit niet het eind der eeuwen,
voorboô van het godsgericht?
Zie de natiën ontwaken,
Israël vraagt naar zijn Heer
't schepsel zucht! Spreekt niet reeds alles,
Jezus van Uw wederkeer?
2
Gord, gemeente, uw wapenrusting
om de leên, tot feller strijd;
helm en borstplaat schild en slagzwaard
toon, wiens erve en deel gij zijt
als uw Vorst zijn heirmacht monstert,
ziet Hij ieder onzer 't aan,
dat het eer ons is en vreugde
onder zijn banier te staan.
om de leên, tot feller strijd;
helm en borstplaat schild en slagzwaard
toon, wiens erve en deel gij zijt
als uw Vorst zijn heirmacht monstert,
ziet Hij ieder onzer 't aan,
dat het eer ons is en vreugde
onder zijn banier te staan.
3
Ook de boze spitst ten krijg zich;
't voorgevoelen van zijn val
doet hem worst'len tot vermeerd'ren
van zijn slinkend strijd'ren tal;
machtigen lokt hij met vleitaal,
zwakken wint hij door zijn list,
waak, gemeente, 't is uw ere,
als de hel haar doelwit mist.
't voorgevoelen van zijn val
doet hem worst'len tot vermeerd'ren
van zijn slinkend strijd'ren tal;
machtigen lokt hij met vleitaal,
zwakken wint hij door zijn list,
waak, gemeente, 't is uw ere,
als de hel haar doelwit mist.
4
Laat de boze u niet verschrikken
door zijn groot en dreigend woord;
sluit uw oor voor d' aartsbedrieger,
sta hem, waar hij zielen moordt.
Jezus heeft zijn macht gebroken
aan zijn heersen perk gezet;
vrees de slang niet, met haar listen
weldra wordt haar kop verplet.
door zijn groot en dreigend woord;
sluit uw oor voor d' aartsbedrieger,
sta hem, waar hij zielen moordt.
Jezus heeft zijn macht gebroken
aan zijn heersen perk gezet;
vrees de slang niet, met haar listen
weldra wordt haar kop verplet.
5
Waak, gemeente, tone uw strijden,
wiens banier en naam gij draagt;
dat 't nabij zijn aan uw Koning
de eer is, die gij 't vurigst vraagt.
Hore elk onzer 't van Zijn lippen,
als eens voor Zijn troon wij staan:
"wees Mij welkom, gij getrouwe,
Wat gij deed, was wel gedaan."
wiens banier en naam gij draagt;
dat 't nabij zijn aan uw Koning
de eer is, die gij 't vurigst vraagt.
Hore elk onzer 't van Zijn lippen,
als eens voor Zijn troon wij staan:
"wees Mij welkom, gij getrouwe,
Wat gij deed, was wel gedaan."