301.Reeds verkondt de top der bergen
De Laatste UrePresentatie
1
Reeds verkondt de top der bergen.
Dat de nacht ten einde spoedt,
enkel goud is reeds hun sneeuwkruin,
badend in der zonnegloed;
't is de Heiland,
Die zijn komst ons kennen doet.
't Is de Heiland,
Die zijn komst ons kennen doet.
Dat de nacht ten einde spoedt,
enkel goud is reeds hun sneeuwkruin,
badend in der zonnegloed;
't is de Heiland,
Die zijn komst ons kennen doet.
't Is de Heiland,
Die zijn komst ons kennen doet.
2
Dierb're Heiland, lang verwachte,
o hoe heuglijk, welkom is
aan Uw kruisgemeente 't teken
na zo lang en droef gemis;
't maakt ons harte
van Uw naad'ring meer gewis.
't Maakt ons harte
van Uw naad'ring meer gewis.
o hoe heuglijk, welkom is
aan Uw kruisgemeente 't teken
na zo lang en droef gemis;
't maakt ons harte
van Uw naad'ring meer gewis.
't Maakt ons harte
van Uw naad'ring meer gewis.
3
Ver van U is 't koud en duister,
worstelen in angst en pijn;
U nabij kent onze ziele
enkel vreugde en zonneschijn;
o hoe zalig
eeuwig eens bij U te zijn!
O hoe zalig
eeuwig eens bij U te zijn!
worstelen in angst en pijn;
U nabij kent onze ziele
enkel vreugde en zonneschijn;
o hoe zalig
eeuwig eens bij U te zijn!
O hoe zalig
eeuwig eens bij U te zijn!
4
Maar het daagt reeds, en wij naad'ren
tot Uw gloriedag steeds meer,
als Gij d' Uwen zult doen delen
in Uw heerlijkheid en eer;
dierb're Heiland,
Heer, verhaast uw wederkeer.
Dierb're Heiland,
Heer, verhaast uw wederkeer.
tot Uw gloriedag steeds meer,
als Gij d' Uwen zult doen delen
in Uw heerlijkheid en eer;
dierb're Heiland,
Heer, verhaast uw wederkeer.
Dierb're Heiland,
Heer, verhaast uw wederkeer.
5
Broeders, houdt uw lampen brandend,
dat geen sluimer u bevang;
laat ons samen biddend waken,
ook al toeft de Bruigom lang,
welhaast groet Hem
ons gejuich en zegezang.
Welhaast groet Hem
ons gejuich en zegezang.
dat geen sluimer u bevang;
laat ons samen biddend waken,
ook al toeft de Bruigom lang,
welhaast groet Hem
ons gejuich en zegezang.
Welhaast groet Hem
ons gejuich en zegezang.