293.Eens breekt in mij het zilv'ren
Dood en OpstandingPresentatie
1
Eens breekt in mij het zilv'ren koord,
dan wordt mijn aardse zang verstoord,
maar op volmaakter, schoner wijs,
klinkt eens mijn lied in 't Paradijs.
dan wordt mijn aardse zang verstoord,
maar op volmaakter, schoner wijs,
klinkt eens mijn lied in 't Paradijs.
RefreinO wat zal 't zijn,
volmaakt en rein,
voor eeuwig met de Heer te zijn!
Te zien Zijn aangezicht weldra,
en eeuwig roemen Zijn genâ.
volmaakt en rein,
voor eeuwig met de Heer te zijn!
Te zien Zijn aangezicht weldra,
en eeuwig roemen Zijn genâ.
2
Eens wordt verbroken 't aardse huis
en leg ik af mijn pelgrimskruis.
Doch Jezus heeft welk zalig lot,
een plaats voor mij in 't huis van God.
en leg ik af mijn pelgrimskruis.
Doch Jezus heeft welk zalig lot,
een plaats voor mij in 't huis van God.
RefreinO wat zal 't zijn,
volmaakt en rein,
voor eeuwig met de Heer te zijn!
Te zien Zijn aangezicht weldra,
en eeuwig roemen Zijn genâ.
volmaakt en rein,
voor eeuwig met de Heer te zijn!
Te zien Zijn aangezicht weldra,
en eeuwig roemen Zijn genâ.
3
O, soms vervult door stille smart,
het heimwee naar die plaats mijn hart.
Maar 'k weet, mijn werk moet hier gedaan,
en eerst als God roept, mag ik gaan.
het heimwee naar die plaats mijn hart.
Maar 'k weet, mijn werk moet hier gedaan,
en eerst als God roept, mag ik gaan.
RefreinO wat zal 't zijn,
volmaakt en rein,
voor eeuwig met de Heer te zijn!
Te zien Zijn aangezicht weldra,
en eeuwig roemen Zijn genâ.
volmaakt en rein,
voor eeuwig met de Heer te zijn!
Te zien Zijn aangezicht weldra,
en eeuwig roemen Zijn genâ.
4
Straks breekt de gulden lamp aan stuk';
voorbij is dan al 't aards geluk;
doch spoedig komt mijn Heiland weer,
dan ben ik zalig bij de Heer.
voorbij is dan al 't aards geluk;
doch spoedig komt mijn Heiland weer,
dan ben ik zalig bij de Heer.
RefreinO wat zal 't zijn,
volmaakt en rein,
voor eeuwig met de Heer te zijn!
Te zien Zijn aangezicht weldra,
en eeuwig roemen Zijn genâ.
volmaakt en rein,
voor eeuwig met de Heer te zijn!
Te zien Zijn aangezicht weldra,
en eeuwig roemen Zijn genâ.