256.Van U zijn alle dingen
Heilsvreugde en VerlossingPresentatie
1
Van U zijn alle dingen,
van U, o God! alleen,
van U de zegeningen,
o Hoorder der gebeên!
Uw liefd' en trouw omringen,
mijn wankelende schreên,
en wat w' ooit goeds ontvingen,
het is van U alleen!
van U, o God! alleen,
van U de zegeningen,
o Hoorder der gebeên!
Uw liefd' en trouw omringen,
mijn wankelende schreên,
en wat w' ooit goeds ontvingen,
het is van U alleen!
2
Reeds vóór wij U iets vragen,
voorkomt Gij onze beê;
Gij hoort ons, als wij klagen,
Gij schenkt aan 't hart Uw vree;
Gij heelt zelfs in Uw plagen,
Giet balsem uit in 't wee;
Gij helpt niet enkel dragen,
maar draagt onszelven mee!
voorkomt Gij onze beê;
Gij hoort ons, als wij klagen,
Gij schenkt aan 't hart Uw vree;
Gij heelt zelfs in Uw plagen,
Giet balsem uit in 't wee;
Gij helpt niet enkel dragen,
maar draagt onszelven mee!
3
Hoe heerlijk is bevonden
Uw rijkdom van genâ,
verloornen toegezonden
in 't veld van Efrata!
Ook mij sloegt G' in mijn zonden
met medelijden gâ,
en Christus droeg Zijn wonden,
voor mij op Golgotha!
Uw rijkdom van genâ,
verloornen toegezonden
in 't veld van Efrata!
Ook mij sloegt G' in mijn zonden
met medelijden gâ,
en Christus droeg Zijn wonden,
voor mij op Golgotha!
4
O, mocht Ik U beminnen,
gelijk Gij mij bemint,
een heil'ge vrees van binnen
mij leiden als uw kind!
Mocht ik die rijkdom winnen,
die roest noch mot verslindt
en werden nooit mijn zinnen
door ijd'le glans verblindt!
gelijk Gij mij bemint,
een heil'ge vrees van binnen
mij leiden als uw kind!
Mocht ik die rijkdom winnen,
die roest noch mot verslindt
en werden nooit mijn zinnen
door ijd'le glans verblindt!
5
U zal ik eeuwig eren,
die eeuw'ge goedheid zijt!
U blijv', o Heer der Heren,
geheel mijn hart gewijd!
Wat kan ik niet ontberen,
wanneer Uw hand mij leidt;
wat vuriger begeren
dan uwe heerlijkheid?
die eeuw'ge goedheid zijt!
U blijv', o Heer der Heren,
geheel mijn hart gewijd!
Wat kan ik niet ontberen,
wanneer Uw hand mij leidt;
wat vuriger begeren
dan uwe heerlijkheid?