21.Komt, zingen wij van 's Heren
Eere- en LofzangenPresentatie
1
Komt, zingen wij van 's Heren macht,
die 't luchtruim welfd' omhoog;
de zon bij dag, de maan bij nacht
tot licht steld' aan Zijn boog;
die starren strooid' op 't eindloos zwerk
als zand aan d' oceaan;
die door het ganse scheppingswerk,
Zijn liefd' ons doet verstaan.
die 't luchtruim welfd' omhoog;
de zon bij dag, de maan bij nacht
tot licht steld' aan Zijn boog;
die starren strooid' op 't eindloos zwerk
als zand aan d' oceaan;
die door het ganse scheppingswerk,
Zijn liefd' ons doet verstaan.
2
Vermeld' ons lied des Heren zorg,
die al Zijn scheps'len voedt;
zijn trouw is voor de toekomst borg,
ja, God is eind'loos goed.
De vogel, die door 't luchtruim zweeft,
al wat in stroom en zee,
in wouden en woestijnen leeft,
deelt in de rijkdom mee.
die al Zijn scheps'len voedt;
zijn trouw is voor de toekomst borg,
ja, God is eind'loos goed.
De vogel, die door 't luchtruim zweeft,
al wat in stroom en zee,
in wouden en woestijnen leeft,
deelt in de rijkdom mee.
3
En die ons lichaam voedt en kleedt,
ons redt uit ied're nood,
heeft voor Zijn kind, hoe zwaar 't misdeed,
genade, o zo groot.
Hoe hard ook door weerspannigheid,
toch slaat Zijn liefd' ons ga;
tot redden is Hij steeds bereid,
uit volheid van genâ.
ons redt uit ied're nood,
heeft voor Zijn kind, hoe zwaar 't misdeed,
genade, o zo groot.
Hoe hard ook door weerspannigheid,
toch slaat Zijn liefd' ons ga;
tot redden is Hij steeds bereid,
uit volheid van genâ.