194.God is voor ons een sterkt' en slot
Strijd en OverwinningPresentatie
1
God is voor ons een sterkt' en slot,
een toevlucht in ellenden!
Wij vrezen niet in 't hachlijkst lot:
God zal ons onheil wenden,
al davert op zijn grond
geheel het wereldrond,
al storten van hun stee
de bergen in de zee, —
God zal ons uitkomst zenden!
een toevlucht in ellenden!
Wij vrezen niet in 't hachlijkst lot:
God zal ons onheil wenden,
al davert op zijn grond
geheel het wereldrond,
al storten van hun stee
de bergen in de zee, —
God zal ons uitkomst zenden!
2
De golven mogen in haar woên
de bergen voor onz' ogen
op hunne grondslag wanklen doen, —
Gods stad blijft onbewogen.
De bronnen blijven fris,
waar 's Hoogsten woning is.
God, die de stad bewoont
En haar genâ betoont,
hoedt haar door Zijn vermogen.
de bergen voor onz' ogen
op hunne grondslag wanklen doen, —
Gods stad blijft onbewogen.
De bronnen blijven fris,
waar 's Hoogsten woning is.
God, die de stad bewoont
En haar genâ betoont,
hoedt haar door Zijn vermogen.
3
Geen rijk kan tegen Hem bestaan;
Zijn stem verschrikt de volken;
Het sidd'rend aardrijk moet vergaan,
als d' Almacht uit de wolken
door Zijne donder spreekt
en aller trots verbreekt;
maar d' Oppermajesteit
stelt ons in veiligheid.
Wij vrezen vuur noch kolken.
Zijn stem verschrikt de volken;
Het sidd'rend aardrijk moet vergaan,
als d' Almacht uit de wolken
door Zijne donder spreekt
en aller trots verbreekt;
maar d' Oppermajesteit
stelt ons in veiligheid.
Wij vrezen vuur noch kolken.
4
Komt herwaarts! ziet Gods wonderkracht,
die schrik baart in de landen,
verwoesting aanricht door Zijn macht
en legt de krijg aan banden.
Hij zendt de vrede neer;
Zijn hand breekt boog en speer;
nu zwijgt het moordgekrijt;
de wagens in de strijd
doet Hij met vuur verbranden.
die schrik baart in de landen,
verwoesting aanricht door Zijn macht
en legt de krijg aan banden.
Hij zendt de vrede neer;
Zijn hand breekt boog en speer;
nu zwijgt het moordgekrijt;
de wagens in de strijd
doet Hij met vuur verbranden.
5
"Laat af! zwijgt stil!" dus spreekt de Heer,
"erkent Mijn alvermogen:
heel 't aardrijk geev' M' als Koning eer,
aanbiddend neergebogen!"
De hoogste Majesteit
stelt ons in veiligheid.
Schoon 't al in puin vergaat,
God blijft een toeverlaat.
Laat ons Zijn naam verhogen!
"erkent Mijn alvermogen:
heel 't aardrijk geev' M' als Koning eer,
aanbiddend neergebogen!"
De hoogste Majesteit
stelt ons in veiligheid.
Schoon 't al in puin vergaat,
God blijft een toeverlaat.
Laat ons Zijn naam verhogen!