170.In al mijn doen en laten
Geloof en VertrouwenPresentatie
1
In al mijn doen en laten
wil ik m' op God verlaten,
Die alle ding vermag.
Wat ooit werd ondernomen
was niet tot stand gekomen,
als Hij niet zeeg'nend nederzag.
wil ik m' op God verlaten,
Die alle ding vermag.
Wat ooit werd ondernomen
was niet tot stand gekomen,
als Hij niet zeeg'nend nederzag.
2
Of zorg mij steeds verzelle,
of 'k mij met arbeid kwelle, —
ik vind daarbij geen baat.
'k Wil alles in mijn leven
mijn Vader overgeven.
Daar ik mij op Zijn zorg verlaat.
of 'k mij met arbeid kwelle, —
ik vind daarbij geen baat.
'k Wil alles in mijn leven
mijn Vader overgeven.
Daar ik mij op Zijn zorg verlaat.
3
Geen angst kan mij doen schromen.
Want niets kan m' overkomen
Dan naar Zijn wijze raad;
en 'k heb nooit stof tot klagen,
daar steeds Zijn welbehagen
in 't zoeken van mijn heil bestaat.
Want niets kan m' overkomen
Dan naar Zijn wijze raad;
en 'k heb nooit stof tot klagen,
daar steeds Zijn welbehagen
in 't zoeken van mijn heil bestaat.
4
'k Vertrouw op Zijn genade,
die mij voor alle schade
en alle kwaad behoedt.
Leef ik naar Zijn geboden, —
Hij redt m' uit alle noden
en schenkt mij liefd'rijk 't eeuwig goed.
die mij voor alle schade
en alle kwaad behoedt.
Leef ik naar Zijn geboden, —
Hij redt m' uit alle noden
en schenkt mij liefd'rijk 't eeuwig goed.
5
Moog' Hij 't geen 'k heb misdreven
mij in genâ vergeven,
en over mijne schuld,
hoe groot die zij gebleken,
niet aanstonds 't vonnis spreken,
maar mij nog dragen met geduld.
mij in genâ vergeven,
en over mijne schuld,
hoe groot die zij gebleken,
niet aanstonds 't vonnis spreken,
maar mij nog dragen met geduld.
6
Zijn engel zal mij hoeden
voor 's vijands toornig woeden;
dies strijd ik blij te moe.
Ik zag mij voor gevaren
altijd door Hem bewaren —
ik weet het bijna zelf niet, hoe.
voor 's vijands toornig woeden;
dies strijd ik blij te moe.
Ik zag mij voor gevaren
altijd door Hem bewaren —
ik weet het bijna zelf niet, hoe.
7
Bij slapen of bij waken,
bij wat mij mag genaken,
blijf ik of trek ik voort, —
in zwakheid of in banden, —
nooit maakt Hij mij te schanden;
altijd troost mij zijn krachtig woord.
bij wat mij mag genaken,
blijf ik of trek ik voort, —
in zwakheid of in banden, —
nooit maakt Hij mij te schanden;
altijd troost mij zijn krachtig woord.
8
En heeft Hij het besloten,
dan zal 'k ook onverdroten
betreen de lijdensbaan.
Het zwaarste deel van allen
zal mij te zwaar niet vallen:
met God wil ik het ondergaan.
dan zal 'k ook onverdroten
betreen de lijdensbaan.
Het zwaarste deel van allen
zal mij te zwaar niet vallen:
met God wil ik het ondergaan.
9
Ik wil geheel mijn leven
Hem willig overgeven;
en roept eens, vroeg of laat,
Zijn stem mij op tot scheiden, —
'k zal 't zonder zorg verbeiden,
daar ik het aan Hem overlaat.
Hem willig overgeven;
en roept eens, vroeg of laat,
Zijn stem mij op tot scheiden, —
'k zal 't zonder zorg verbeiden,
daar ik het aan Hem overlaat.
10
Moog' ik de Zijne wezen,
vertrouwend zonder vrezen
Hem, die mij nooit verlaat!
Wat staat of vallen moge, —
mijn Vader in de hoge
weet altoos en voor alles raad.
vertrouwend zonder vrezen
Hem, die mij nooit verlaat!
Wat staat of vallen moge, —
mijn Vader in de hoge
weet altoos en voor alles raad.