Spring naar inhoud

132.Kunt gij naast de stoutste zeilers

Des Christens RoepingslideshowPresentatie
1
Kunt gij naast de stoutste zeilers
u niet wagen in de strijd,
waar de golf nu berghoog wentelt
en zich straks als afgrond splijt;
ook aan 't strand staan schepelingen
draag hun zorg en arbeid mee;
kunt gij al de hand slechts lenen
waar een vaartuig steekt in zee.
2
Hebt gij al geen goud of zilver
voor uw weldoen steeds gereed,
buigt zich vaak in u uw ziele,
daar gij niet te redden weet;
wenen kunt gij met de droeven,
zonnestraal der hoop hun zijn,
door uw handdruk, door uw bidden
balsem schenken voor hun pijn.
3
Schoon gij in de dag des oogstes
ook geen schoven binden kunt;
is u niet het deel des rapers,
d' opgelezen aar gegund?
En van 't aandeel, dus vergaderd
bij de hete zonnegloed,
wordt na 't stillen van uw honger
licht nog wees of weeûw gevoed.
4
Hoop niet leegstaand en hoogmoedig
op wat groot en glansrijk heet,
tot gij eind'lijk werk en roeping
in een trage slaap vergeet.
Ga, en werk en zwoeg zo lange
tot het uur der rust mag slaan:
als uw hart naar arbeid hunkert,
wijst God zelf uw taak u aan.